Tagarchief: Informatierecht

Usenetprovider Giganews definitief niet aansprakelijk voor auteursinbreuk

In de Verenigde Staten sleepte in 2011 het bedrijf Perfect 10 de in Texas gevestigde usenetprovider Giganews voor de rechter. De uitbater van een erotische website beweerde dat de usenetmarktleider inbreuk maakt op haar auteursrechten. De federale rechter was het daar niet mee eens en oordeelde in 2014 dat Giganews niet aansprakelijk is voor de inbreuken die door anderen op haar platform worden gepleegd.

In hoger beroep is deze uitspraak begin 2017 door het Hof van Beroep (Court of Appeals for the Ninth Circuit) bevestigd. Vorige week weigerde de hoogste Amerikaanse rechter (Supreme Court) het door Perfect 10 ingestelde beroep in behandeling te nemen, kennelijk omdat het geen reden zag om aan het oordeel van de beroepsrechter te twijfelen. Verder beroep is niet meer mogelijk, waardoor definitief is komen vast te staan dat in de VS een usenetprovider niet aansprakelijk is voor de auteursrechtinbreuken die door anderen op haar platform worden gepleegd.

Deze uitspraak is geheel in lijn met de uitspraak van het Hof van Amsterdam in de rechtszaak die Stichting BREIN heeft aangespannen tegen de voormalige Europese usenetprovider News-Service Europe B.V. (NSE). Net als in de Giganews-uitspraak oordeelde het gerechtshof dat NSE optreedt als een passieve usenetprovider die niet betrokken is bij de inhoud van de berichten die op haar platform worden geplaatst en daarom niet aansprakelijk kan worden gesteld voor inbreuken die anderen op haar platform plegen. Het onuitvoerbare vonnis van de rechtbank dat NSE verplichtte om een waterdicht filter te implementeren, werd terecht door het hof vernietigd.

In de EU wordt in het kader van de herziening van de regels over auteursrecht momenteel gedebatteerd over een uploadfilter. Het voorstel van de Europese Commissie bevat een artikel (artikel 13) dat internetbedrijven verplicht om elke upload te filteren op basis van door auteursrechthebbenden aangeleverde lijstjes. Bovendien maakt het voorstel een einde aan de huidige ‘safe harbours’, door providers aansprakelijk te stellen voor de eventuele inbreuken die anderen op haar platform plegen.

Het gevolg hiervan zal zijn dat zodra er maar een beetje twijfel bestaat over de rechtmatigheid van een upload, de provider het zekere voor het onzekere zal nemen en de upload zal blokkeren. Een uploadfilter zal dus ook legitieme uploads gaan tegenhouden, zeker als men zich bedenkt dat een filter blind is voor de context en daardoor niet in staat is om bijvoorbeeld geoorloofde parodieën of citaten te herkennen. Omdat een verplicht uploadfilter een grote bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting op internet, bestaat er een brede weerstand tegen het voorstel en is het maar zeer de vraag of de filterverplichting er daadwerkelijk zal gaan komen.

Vast staat dat er vooralsnog geen verplichting bestaat om uploads te filteren. In tegenstelling zelfs. Het grootste kritiekpunt op het voorstel is dat een filterverplichting in strijd is met het huidige verbod voor providers om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan. Het feit dat er op dit moment intensief wordt gedebatteerd over de eventuele introductie van een filterverplichting, kan niet anders worden gezien als een bevestiging dat een dergelijke filterverplichting op dit moment niet aan de orde kan zijn.

Er is in de tijd dat NSE haar activiteiten heeft moeten staken veel veranderd. Zo is gebleken dat middels het notice-and-takedown systeem het illegale aanbod op usenet effectief kan worden bestreden. Bovendien zijn rechthebbenden terecht tot inzicht gekomen dat het de inbreukmakende uploader is die de inbreuk pleegt en niet de neutrale provider. Hoewel rechthebbenden altijd hebben beweerd dat het opsporen van inbreukmakende uploaders een onmogelijke exercitie zou zijn, hebben zij zelf inmiddels het tegendeel bewezen. Steeds vaker worden inbreukmakers opgespoord en aangesproken. Ook inbreukmakende usenetgebruikers worden regelmatig ‘beboet’.

Een andere verandering die zich heeft voorgedaan, is het in 2014 ingetreden downloadverbod. In de tijd dat NSE nog actief was, was het toegestaan om voor privégebruik te downloaden vanaf ongeautoriseerde bron. De auteursrechthebbenden kregen hier een financiële vergoeding voor die werd verkregen uit de thuiskopieheffing, een heffing op blanco dragers zoals lege CD’s, MP3-spelers en computers. Door een uitspraak van de Europese rechter is het downloaden uit illegale bron niet langer toegestaan.

Aan het slepende geschil met Stichting BREIN is met de uitspraak van het gerechtshof helaas nog geen einde gekomen. BREIN is het niet eens met het hof en is in cassatie gegaan bij de Hoge Raad. De nu onaantastbaar geworden uitspraak van het Amerikaanse hof heeft precedentwerking gekregen en bevestigt ons vertrouwen in een goede afloop. Op 4 mei 2018 neemt de Advocaat-generaal bij de Hoge Raad zijn conclusie. Dit is een advies aan de raadsheren van de Hoge Raad dat in de meeste gevallen wordt overgenomen.

Afbeelding: Supreme Court of the United States (flickr)

Brein versus usenet: voortgang cassatie bij de Hoge Raad

Gisteren was het 6 jaar geleden dat de Rechtbank Amsterdam het voor mij desastreuze vonnis wees dat het definitieve einde betekende voor mijn bedrijf, voormalig usenetprovider News-Service Europe B.V. (NSE). Er is sindsdien veel gebeurd.

Ondanks het feit dat NSE sinds 4 november 2011 18.00 uur geen activiteiten meer verricht, heb ik samen met mijn zakenpartner toch gemeend om in hoger beroep te moeten gaan. Het vonnis van de rechtbank is evident onjuist en wij willen ons gelijk halen. Dat is inmiddels ook gelukt. Na een langslepende procedure in hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam ons op 6 december 2016 in het gelijk gesteld en het vonnis van de rechtbank vernietigd. Helaas vond Stichting BREIN het nodig om de arresten van het hof (het zijn er maar liefst drie: twee tussenarresten en een eindarrest) aan te vechten door in cassatie te gaan bij de Hoge Raad.

Op persoonlijk vlak is ook het een en ander gebeurd. Zo ben ik na de zomer van 2012, nadat ik enigszins was bijgekomen van de schok, begonnen aan een rechtenstudie aan de Open Universiteit. Nadat ik in 2016 mijn bachelor heb behaald, begon ik aan de master Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam. Ik ben nu mijn masterscriptie aan het schrijven en aan het eind van dit jaar hoop ik de studie te kunnen afronden.

Zoals ik al zei, heeft BREIN de arresten van het gerechtshof aangevochten bij de hoogste rechter in Nederland. Het is de taak van de Hoge Raad om te oordelen of de feitenrechter het recht goed heeft uitgelegd en toegepast. De Hoge Raad behandelt de zaak dus niet opnieuw en gaat uit van de feiten zoals die door het hof zijn vastgesteld. Op vrijdag 1 september 2017 hebben zowel NSE als BREIN hun schriftelijke toelichting ingediend en zojuist, op vrijdag 29 september 2017, hebben beide partijen hun repliek en dupliek ingediend. Nu is het aan de advocaat-generaal van het parket van de Hoge Raad om de Hoge Raad van advies te voorzien. Deze conclusie zal naar verwachting drie maanden op zich laten wachten. Vervolgens is het aan de raadsheren van de Hoge Raad om arrest te wijzen.

In de cassatiestukken probeert BREIN voor de zoveelste keer een beeld van het usenet en NSE te creëren dat ver bezijden de waarheid is. Zo zou NSE betrokken zijn bij de inbreuk op auteursrechten, zou NSE zijn overgestapt op een reseller model om haar verantwoordelijkheid te ontlopen, de retentietijd van populaire nieuwsgroepen hebben verlengd en haar systeem hebben ingericht op het tot stand brengen van een omvangrijke database met populaire beschermde werken. Daarnaast probeert BREIN de Hoge Raad ervan te overtuigen dat het business model van NSE, en dus dat van elke usenetprovider, op één lijn te stellen is met dienstverleners als RapidShare, Mininova, FTD en The Pirate Bay.

Allemaal klinkklare onzin natuurlijk. NSE was gewoon een neutrale usenetprovider die zich niet bezig hield met de inhoud van de usenetberichten en keurig netjes voldeed aan de voorwaarden die de wet aan een neutrale provider stelt. NSE deed zelfs meer dan waartoe zij wettelijk verplicht was om zo rechthebbenden tegemoet te komen. NSE was echter niet bereid om censuur toe te passen door alle binnenkomende berichten preventief te gaan filteren of door zonder goede motivering complete nieuwsgroepen af te sluiten. Dat is buiten alle proporties en bovendien in strijd met Europese regelgeving.

Nadat NSE er niet in was geslaagd de rechtbank ervan te overtuigen dat de onderzoeken die BREIN uit andere procedures heeft geleend niet tot BREINs conclusie kunnen leiden dat 80-90% van het materiaal op usenet inbreukmakend is, heeft NSE gedurende het hoger beroep onderzoeksinstituut TNO gevraagd om hier onderzoek naar te doen. TNO komt tot de conclusie dat niet 80-90% van het materiaal op usenet inbreukmakend is, maar slechts 6%. De slotsom is dus dat usenet voor veel meer dan alleen voor de uitwisseling van inbreukmakend materiaal wordt gebruikt.

Toch hebben ook wij wel een aantal bezwaren tegen de beslissingen van het hof. Zo heeft het hof NSE bevolen om in het geval zij haar activiteiten als usenetprovider hervat een effectieve notice-and-takedown procedure (NTD-procedure) in te voeren. Hier zijn wij het niet mee eens, want NSE bood al een effectieve NTD-procedure aan waarmee rechthebbenden op effectieve wijze inbreukmakend materiaal konden verwijderen. Het hof heeft nota bene zelf geoordeeld dat NSE’s NTD-procedure aan alle wettelijke eisen voldeed. Om deze en andere redenen hebben we voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dat betekent dat alleen indien minstens één van de klachten van BREIN slaagt, onze klachten in behandeling genomen zullen worden.

Inmiddels zijn we al ruim 8 jaar aan het procederen. Ik had toen ik aan mijn rechtenstudie begon nooit gedacht dat ik mijn studie zou afronden voordat de rechtszaak met BREIN tot een einde zou komen, maar dat lijkt nu toch echt te gaan gebeuren. Ik hoop dat de Hoge Raad de arresten van het gerechtshof bekrachtigt, zodat er eindelijk een einde komt aan dit langslepende proces. Met een gemiddelde totale doorlooptijd bij de civiele kamer van de Hoge Raad van 500 dagen (vanaf dagvaarding/procesinleiding), zouden we pas rond augustus 2018 de uitspraak mogen verwachten.

UPDATE 13.30 uur: Niet vandaag, maar op 27 oktober 2017 wordt de datum voor het nemen van de conclusie vastgesteld.

UPDATE 27 oktober 2017: Conclusie van de A-G op 4 mei 2018, dus pas over ruim 5 maanden.

Afbeelding: Shelby Ward (flickr)

Masterscriptie: moet de EU cookiewalls en andere walls verbieden?

Ook nu.nl maakt gebruik van cookiewalls.

Elke masteropleiding wordt afgesloten met het schrijven van een masterscriptie. Nu ik alle vakken van mijn masteropleiding met succes heb afgerond, rest mij alleen nog maar het schrijven van mijn scriptie. Ik ben lange tijd van plan geweest om mijn scriptie te schrijven over een onderwerp dat gelieerd is aan het auteursrecht of aan de aansprakelijkheid van providers op internet. Het zoeken naar een geschikt onderwerp zou niet veel moeite moeten kosten, want ik had het afgelopen jaar al een flink rijtje met mogelijke onderwerpen verzameld.

Gedurende het tweede semester werd ik echter geraakt door het vak Privacy en gegevensbescherming. En omdat ik door mijn rechtszaak tegen Stichting BREIN toch al redelijk wat kennis heb opgedaan over het auteursrecht en de aansprakelijkheid van tussenpersonen op het internet, leek het me wel een goed idee om mijn kennis te verbreden door voor een ander rechtsgebied te kiezen. Privacy & gegevensbescherming dus. Nu alleen nog maar een interessant scriptieonderwerp verzinnen.

Na enig (nja, best veel) geworstel heb ik een geschikt scriptieonderwerp gevonden. Mijn scriptie gaat, kort gezegd, over de vraag of websites te allen tijde voorwaarden mogen stellen aan het verlenen van toegang tot de website. Of kan het stellen van voorwaarden in strijd zijn met het recht van internetgebruikers om informatie te vergaren of het recht op hun privacy? Kortom, mijn scriptie gaat over het gebruik door websites (en andere diensten van de informatiemaatschappij) van ‘walls’. We kennen inmiddels de paywall (betaalmuur), de cookiewall (cookiemuur) en ook de adblocker wall is een steeds bekender fenomeen. Inmiddels is mijn onderzoeksplan goedgekeurd en zit ik midden in mijn onderzoek.

Natuurlijk heeft een websitehouder in beginsel het recht om te bepalen wie zijn website mag bezoeken. Een winkelier heeft immers ook het recht om te bepalen wie hij verwelkomt in zijn winkel. De vraag rijst of hier geen grenzen aan zijn verbonden.

Vrijwel elke website gebruikt cookies om het doen en laten van internetgebruikers in kaart te brengen. Cookies zijn kleine bestanden die websites op je computer plaatsen om informatie in op te slaan of uit te lezen. Zo kunnen deze websites zien welke andere websites je hebt bezocht. Anoniem informatie vergaren is vrijwel onmogelijk geworden.Websites en vooral adverteerdersnetwerken bouwen zo zeer gedetailleerde profielen van internetgebruikers op. Aan de hand van deze profielen zijn adverteerders in staat om advertenties te tonen die zijn gericht op de interesses van de individuele gebruikers. Deze gerichte reclames zijn effectiever (en dus winstgevender) dan ongerichte reclames. Sommige websites verplichten met cookiewalls de bezoekers om toestemming te verlenen voor het bijhouden van hun gedrag. Zonder het verlenen van die toestemming, verlenen zij geen toegang tot de website.

Maar hoe zit het dan met het recht op een privé-leven? Natuurlijk kan iemand in een specifiek geval afstand doen van dit grondrecht door toestemming te verlenen om door een website te worden gevolgd. Een website vraagt echter in vrijwel alle gevallen niet alleen om toestemming om zelf het gedrag van zijn bezoekers in kaart mag brengen (first-party cookies), hij vraagt deze toestemming meestal ook namens een onbepaald aantal derde partijen (third-party cookies). Dit zijn bijvoorbeeld partijen die advertenties of sociale media knoppen zoals de Facebook like-knop op websites plaatsen. Zouden websitebezoekers zich wel bewust zijn waarvoor zij toestemming geven? En worden zij niet gedwongen om toestemming te verlenen, omdat zij zonder die toestemming deze websites niet mogen bezoeken?

Op dit moment wordt er binnen de Europese Unie hard gewerkt aan de nieuwe ePrivacy verordening die in mei 2018 de ePrivacy richtlijn zal moeten gaan vervangen. De ePrivacy verordening vult de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG of GDPR) aan en moet het privé-leven en de persoonsgegevens van burgers in de online-omgeving beschermen. Omdat websitebezoekers bij het gebruik van cookiewalls worden gedwongen om toestemming te verlenen voor het monitoren van hun gedrag, zijn diverse toezichthouders en belangenorganisaties van mening dat het gebruik van cookiewalls moet worden verboden. Maar waarom zou de EU daar stoppen? Als cookieswalls worden verboden, zouden adblocker walls dan niet ook verboden moeten worden?

Een adblocker is een browser-plugin die advertenties blokkeert. Een website met een adblocker wall geeft geen toegang tot de site zolang de adblocker actief is. Het komt ook voor dat websites de gebruiker proberen te overtuigen om de adblocker uit te schakelen.Ook Tweakers maakt gebruik van cookiewalls.

Omdat advertenties net als cookies vaak ook worden gebruikt om het internetgedrag in kaart te brengen, worden adblockers niet alleen gebruikt door mensen die een hekel hebben aan reclame, maar ook door mensen die hun (online) privacy proberen te beschermen. Daarnaast wordt er regelmatig malware (kwaadaardige software) verspreid via advertenties (zogenaamde malvertising) en helpt een adblocker om je computer hiertegen te beveiligen. Er zijn dus genoeg legitieme redenen om een adblocker te gebruiken.

Er is echter ook een keerzijde. Als iedereen een adblocker zou gebruiken, hoe kunnen websites dan nog inkomsten genereren? Zou dat het einde betekenen van veel websites die afhankelijk zijn van inkomsten uit reclame? Of zouden deze websites zich verplicht voelen om betaalmuren op te richten?

Deze en vele andere vragen zal ik proberen te beantwoorden in mijn masterscriptie.

Brein versus usenet gaat naar de Hoge Raad

Op 6 december van het vorig jaar kwam er eindelijk een einde aan het langslepend hoger beroep dat (ex) usenetprovider News-Service Europe (NSE) in 2011 tegen Stichting Brein (Brein) had ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde met overtuiging in het voordeel van NSE en vernietigde het voor NSE desastreuze vonnis van de rechtbank. Inmiddels heeft Brein cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Het hof heeft NSE wel een verplichting opgelegd om een effectieve Notice-and-Takedown (NTD) procedure aan te bieden op het moment dat zij ervoor zou kiezen om haar dienstenverlening weer te hervatten. Dat gebod is overbodig omdat NSE al vanaf 2009 een goed functionerende NTD-procedure aanbood. Het hof heeft in het eerste tussenarrest bevestigd dat NSE’s NTD-procedure voldeed aan alle wettelijke eisen en bovendien voldoende efficiënt was.

Hoewel NSE dus al jarenlang een efficiënte NTD-procedure aanbood, riep Brein zichzelf kort na het arrest uit als de ‘morele winnaar’ en beschouwde ze de uitspraak als een ‘belangrijke overwinning’. Met het ‘NTD arrest’ in de hand zou Brein de piraterij op usenet eindelijk aan kunnen pakken en een einde maken aan ‘illegaal usenet’, aldus Tim Kuik, directeur van Brein.

En toch heeft Brein gemeend om niet nu eindelijk eens de handen uit de mouwen te steken door de door Brein bejubelde NTD-procedure daadwerkelijk te gaan gebruiken, maar heeft zij in plaats daarvan ervoor gekozen eindeloos door te blijven procederen tegen een partij die al ruim vijf jaar niet meer actief is.

Kan Brein dan nu niets doen aan het inbreukmakende materiaal op usenet?
Zeker wel! Zoals Tim Kuik zelf al zei, kan met dit arrest in de hand elke usenetprovider die nog geen NTD-procedure aanbiedt (ik ken ze overigens niet) gedwongen worden om deze alsnog te implementeren. Hiermee kan Brein, eventueel in samenwerking met piraterijbestrijders uit andere landen, illegale content van usenet verwijderen. Dat is zeer effectief, omdat met één (vaak automatisch gegenereerd) NTD-verzoek een inbreukmakend werk in één keer van het gehele usenet kan worden verwijderd. Deze techniek wordt in de Verenigde Staten op grote schaal met succes toegepast.

Brein is overigens zeer bedreven in het versturen van NTD-verzoeken. Dat blijkt uit haar meest recente jaarverslag waar Brein met trots vermeldt dat zij in 2016 ruim 2,5 miljoen zoekresultaten bij Google heeft verwijderd en daarmee hoog staat in de internationale ranking van melders.

Daarnaast is gebleken dat Brein prima in staat is om uploaders van inbreukmakend materiaal op usenet te identificeren en aan te spreken. Uit het eerdergenoemde jaaroverzicht blijkt dat Brein zeer regelmatig door haar geïdentificeerde uploaders tot stoppen weet te dwingen en hoge schikkingen met hen treft.

Brein beschikt dus al over de benodigde middelen om op effectieve wijze piraterij op usenet aan te pakken, maar ze verkiest het voeren van ellenlange niet-effectieve juridische procedures boven het daadwerkelijk bestrijden van het illegale aanbod.

Overigens staat NSE niet alleen in haar strijd tegen anti-piraterij organisaties die de juridische realiteit maar niet kunnen accepteren. In de Verenigde Staten werd usenetprovider Giganews voor de rechter gesleept door copyright troll Perfect 10. Perfect 10 was van mening dat Giganews inbreuk maakte op haar auteursrechten. De rechter was het daar niet mee eens en oordeelde dat Giganews niet aansprakelijk is voor inbreuken op het auteursrecht. Deze uitspraak is geheel in lijn met het door Brein bestreden arrest van het hof Amsterdam. De Amerikaanse rechter veroordeelde Perfect 10 bovendien tot betaling van maar liefst 5,6 miljoen dollar aan proceskosten. In hoger beroep werd deze uitspraak onlangs bevestigd.

En toch blijft Brein in haar eigen ongelijk geloven. Alle oude drogredenen worden weer afgestoft en nieuw leven ingeblazen. De argumenten die Brein in de media bezigt zijn zo onzinnig en zo evident onjuist, dat we ze maar laten voor wat het is en met vertrouwen het oordeel aan de Hoge Raad overlaten.

Afbeelding: Zetel van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout in Den Haag (bron: Wikimedia Commons)

De rechtspositie van de internetgebruiker in het Lycos/Pessers-tijdperk

In mijn vorige blog vertelde ik al dat het eerste semester van de master Informatierecht werd afgesloten met het schrijven van een paper. De titel van deze blog is tevens de titel van mijn paper. Deze blog bevat een korte samenvatting van mijn paper, die met een mooie 8 is beoordeeld.

Om iemand te kunnen aanspreken op het schenden van bijvoorbeeld auteursrechten, zal die persoon eerst moeten worden geïdentificeerd. Afhankelijk van de gegevens waarover een (auteurs)rechthebbende beschikt, is daarvoor de medewerking van één of meer providers benodigd. Een provider is bijvoorbeeld je internetprovider, je usenetprovider, of een platform zoals Facebook of YouTube.

In de bekende wraakporno zaak waarbij Chantal probeerde te achterhalen wie een intiem filmpje van haar op Facebook heeft geplaatst, werd bijvoorbeeld eerst Facebook aangesproken om het IP-adres te achterhalen waarmee het filmpje is geplaatst, om vervolgens van de desbetreffende internetprovider de NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats) van de gebruiker van dat IP-adres te vorderen.

In Nederland heeft de wetgever het aan de rechtelijke macht overgelaten om te bepalen onder welke voorwaarden een provider de NAW-gegevens van een abonnee dient te verstrekken. Bepalend is het Lycos/Pessers arrest uit 2004.

Deze zaak ging over postzegelverzamelaar Pessers die op eBay postzegels verkocht. Nadat hij op een forum van Lycos anoniem werd beschuldigd van fraude, spande hij een kort geding aan om achter de identiteit van de persoon achter de beschuldigingen te komen. Het Gerechtshof Amsterdam bepaalde de voorwaarden wanneer een provider aan het verzoek tot verstrekking van NAW-gegevens dient te voldoen. De Hoge Raad heeft deze uitspraak in 2005 bevestigd.

De Lycos/Pessers-leer houdt in dat een provider de gegevens van haar klant dient te verstrekken, indien de volgende omstandigheden zich voordoen:

  1. de mogelijkheid dat de informatie, op zichzelf beschouwd, jegens de derde (bijvoorbeeld een auteursrechthebbende) onrechtmatig en schadelijk is, is voldoende aannemelijk;
  2. de derde heeft een reëel belang bij de verkrijging van de NAW-gegevens;
  3. aannemelijk is dat er in het concrete geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de NAW-gegevens te achterhalen;
  4. afweging van de betrokken belangen van de derde, de provider en de internetgebruiker (voor zover kenbaar) brengt mee dat het belang van de derde behoort te prevaleren.

Het grote bezwaar van de Lycos/Pessers-leer is dat van providers wordt verwacht dat zij zelf verzoeken om NAW-gegevens toetsen en dat zij daarbij een belangenafweging moeten maken. Daarbij spelen de belangen van de rechthebbende, van de vermeende inbreukmaker (de internetgebruiker) en van de provider zelf een rol. De provider wordt kortom gedwongen om op de stoel van de rechter te gaan zitten.

Providers komen hiermee in een onmogelijke positie te verkeren. Indien een provider van mening is dat de belangen van de internetgebruiker prevaleren boven die van de auteursrechthebbende en de rechter besluit achteraf anders, dan heeft de provider onrechtmatig gehandeld jegens de auteursrechthebbende en kan hij daarvoor aansprakelijk worden gesteld. Indien een provider echter te snel overgaat tot het verstrekken van NAW-gegevens, loopt hij het risico om aansprakelijk te worden gesteld door de internetgebruiker wegens schending van zijn privacy.

Omdat providers uit angst voor een slechte reputatie liever geen persoonsgegevens verstrekken, weigeren zij meestal om vrijwillig aan het verzoek te voldoen. De rechthebbende wordt daarmee gedwongen om een procedure (meestal een kort geding) te starten. In deze procedure tussen provider en de verzoeker, wordt vaak over de rug van de internetgebruiker beslist of zijn persoonsgegevens zullen worden verstrekt en zijn privacy zal worden geschonden. Slechts een enkele keer wordt de internetgebruiker in de gelegenheid gesteld om (anoniem) zijn verhaal te doen. Afhankelijk van het soort gegevens kan het niet horen van de internetgebruiker in strijd zijn met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Omdat rechters steeds vaker providers verwijten dat zij niet vrijwillig zijn overgegaan tot verstrekking van NAW-gegevens, wordt de druk op providers om zonder tussenkomst van de rechter NAW-gegevens te verstrekken steeds groter. Een provider handelt immers onrechtmatig indien een rechter achteraf besluit dat de provider wel tot verstrekking van NAW-gegevens had moeten overgaan. Mijn paper sluit af met de conclusie dat deze gang van zaken een bedreiging vormt voor de rechtspositie van de internetgebruikers wier persoonsgegevens worden gevorderd.

Voor de liefhebber is mijn paper hieronder in z’n geheel te lezen.

Afbeelding: De eiser in Lycos/Pessers was een postzegelverzamelaar (flickr)

Master Informatierecht: het eerste semester

Het is alweer een flinke tijd geleden dat ik een blog heb geschreven over de voortgang van mijn studie. Ik pak de draad weer op. Na het behalen van mijn bachelor en na door de selectieprocedure te zijn gekomen, mocht ik begin september 2016 beginnen aan de master Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam.

Het eerste semester bestaat uit twee verplichte basisvakken: Informatierecht en Intellectuele Eigendom en wordt afgesloten met het schrijven van een paper op het gebied van Informatierecht of Intellectuele eigendom. Beide basisvakken werden eind oktober en eind december getentamineerd.

In het basisvak Intellectueel Eigendom worden de verschillende intellectuele eigendomsrechten behandeld, zoals het auteursrecht, de naburige rechten, het databankenrecht, het merkenrecht, het octrooirecht en het modellenrecht. Omdat veel onderdelen van deze rechtsgebieden binnen de EU zijn geharmoniseerd is er veel aandacht voor Europese richtlijnen en verordeningen. Daarnaast wordt een flink aantal uitspraken van de hoogste rechterlijke instelling van de EU, het Europese Hof van Justitie behandeld. Het intellectueel eigendomsrecht is mede door de digitalisering en het internet een zeer dynamisch rechtsgebied. Veel Europese richtlijnen en verordeningen zijn recent herzien, zitten in een overgangsfase of worden binnenkort herzien, wat de materie extra complex maakt.

Het andere basisvak, Informatierecht, behandelt een breed rechtsgebied. Vrijheid van meningsuiting, privacy en de bijzondere positie van de media en pers spelen een hoofdrol. Ook was er veel aandacht voor de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die in 2018 de Wbp zal gaan vervangen. Er is een speciale rol weggelegd voor het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en heel veel jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Ook de aansprakelijkheid van internet tussenpersonen, een voor mij niet onbekend terrein, werd uitvoerig behandeld. Het was heel bijzonder om te constateren dat mijn rechtszaak tegen Stichting Brein verplichte jurisprudentie heeft opgeleverd. Het eerste tussenarrest, waarin het Gerechtshof van Amsterdam besloot dat een usenetprovider als een internet tussenpersoon een beroep op de uitsluiting van aansprakelijkheid toekomt, werd tijdens één van werkgroepen behandeld.

Een van de aantrekkelijke aspecten van de master Informatierecht is dat de colleges voor een groot deel worden verzorgd door medewerkers van het Instituut voor Informatierecht (IViR), een van de meest vooraanstaande onderzoeksinstituten ter wereld op het gebied van informatierecht. Deze docenten vertellen met veel passie en enthousiasme over hun eigen rechtsgebied. Zo werd het college over de aansprakelijkheid van internet tussenpersonen gegeven door mijn eigen advocaat.

Ik heb beide vakken als zeer pittig ervaren. Ik moest ook erg wennen aan de manier van werken bij de Universiteit van Amsterdam. Bij de Open Universiteit kreeg ik een stapel studiemateriaal en een datum voor het tentamen en kon ik mijn eigen gang gaan. De master Informatierecht is door de wekelijkse werkgroepen veel interactiever en je werkt elke week naar de colleges van de volgende week toe. Gelukkig heb ik beide vakken succesvol afgerond en hoef ik geen hertentamen te doen.

Zoals gezegd werd het semester afgesloten met het schrijven van een paper. Mijn paper gaat over de handhaving van intellectueel eigendomsrechten en dan met name over de rechtspositie van een vermeend inbreukmaker wiens persoonsgegevens worden opgevraagd bij bijvoorbeeld zijn internetprovider. Ik ben nog in afwachting van de beoordeling.

Inmiddels is het tweede semester alweer begonnen. Dit semester bestaat uit een aantal keuzevakken en het schrijven van de eindscriptie. Meer hierover in een volgende blog.

Afbeelding: De Kloveniersburgwal. Onderweg naar de Oudemanhuispoort voor het tentamen Informatierecht op 22 december 2016.

Geselecteerd voor de master Informatierecht

Geselecteerd voor de master Informatierecht

It Giet Oan!! Ik ben geselecteerd voor de master Informatierecht 2016-2017 aan de Universiteit van Amsterdam! Gisteren ontving ik na lang in spanning te hebben gewacht bovenstaande e-mail.

In september 2012 begon ik aan mijn bachelor Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit met als doel om daarna aan de master Informatierecht te kunnen beginnen. In augustus 2012 schreef ik hierover:

Mijn doel is om uiteindelijk de master Informatierecht te gaan volgen. Maar om tot deze master te worden toegelaten moet ik wel eerst een universitaire bachelor rechten op zak hebben. Of ik dit doel ook ook echt ga halen weet ik niet, maar de eerste stap is in ieder geval gezet. Ik ga nu eerst proberen om de propedeuse te halen.

De propedeuse halen is gelukt en de bachelor zit er ook bijna op. En nu ben ik toegelaten tot de master. En dat is maar goed ook, want een plan B had ik niet.

De master Informatierecht is een ‘selectieve’ opleiding, waarbij een selectie- en toelatingsprocedure geldt. De selectie geschiedt op basis van motivatie, het gemiddelde (eind)cijfer van de bachelorstudie en curriculum vitae. Eind maart heb ik me aangemeld en schreef ik in mijn motivatiebrief waarom juist ik voor deze master in aanmerking zou moeten komen. Dat is me blijkbaar goed afgegaan, want gisteren ontving ik dus het bericht dat ik ben geselecteerd.

Informatierecht is een actueel rechtsgebied dat gaat over alle juridische aspecten van `informatie’. Dankzij de opkomst van het internet speelt informatie in de huidige informatiemaatschappij een cruciale rol. Het is nu makkelijker dan ooit om informatie te delen, te verspreiden en tot je te nemen. Maar er zijn wel grenzen. Informatierecht is een verzamelnaam voor een aantal rechtsgebieden die met informatie van doen hebben.

Zo is er het privacyrecht dat het gebruik van persoonsgegevens beperkt. Het auteursrecht dat gaat over het recht dat de maker van een werk van literatuur, wetenschap of kunst heeft om te kunnen bepalen wat er met zijn werk gebeurt. En het octrooirecht dat gaat over de rechten op een uitvinding. Maar ook vrijheid van meningsuiting, telecommunicatierecht, persrecht en mediarecht zijn onderdelen van het brede rechtsgebied informatierecht.

Vrijwel alle onderdelen van het informatierecht hebben een sterkte affiniteit met het internet en juist dat is de reden waarom mij deze master mij zo aantrekt. Ik heb er erg veel zin in!

Ik stap dus over van de Open Universiteit dat gericht is op afstandsonderwijs, naar een reguliere universiteit, de Universiteit van Amsterdam (UvA). Dat betekent een nieuwe universiteit met nieuwe gewoontes, procedures, medestudenten en… verplichte hoorcolleges! Ik zal daar best even aan moeten wennen.

In de week van 5 september 2016 begint het eerste semester, dat bestaat uit de verplichte vakken Informatierecht en Intellectueel eigendom. Bovendien moet er in het eerste semester een paper op het gebied van een van deze basisvakken worden geschreven. Het tweede semester bestaat uit een aantal keuzevakken en het schrijven van een masterscriptie.

Maar nu eerst nog maar even mijn bachelor afronden…

De laatste loodjes van mijn bachelor

Pleiten | Integratiepracticum
Pleitsessie 29-11-2014

Na behalen van de laatste twee tentamens van mijn bachelor, resteert nu nog slechts de afsluitende eindopdracht om mijn bachelor met succes te kunnen afronden. Deze eindopdracht wordt bij de Open Universiteit het Integratiepracticum genoemd.

Bij het Integratiepracticum is het de bedoeling dat je laat zien dat je de opgedane kennis uit de bachelor in de praktijk kunt toepassen. Dit doe je door drie casus uit de drie verschillende rechtsgebieden (privaatrecht, bestuursrecht, strafrecht) uit te werken. Het vak bestaat uit een schriftelijk en een mondeling deel.

Het schriftelijke deel was pittig en omvangrijk. Het vereiste jurisprudentie- en literatuuronderzoek maakte een aantal bezoeken aan de juridische bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam noodzakelijk. Voor elke uitwerking moet een voldoende worden behaald om door te mogen gaan naar het mondelinge deel van de cursus. Bij twee of meer onvoldoendes is het einde oefening en mag je het vak over een half jaar opnieuw proberen (aangezien de master die ik wil gaan doen alleen in september begint, zou dat voor mij een vertraging van een heel jaar betekenen). Bij één onvoldoende krijg je nog de gelegenheid om je uitwerking aan te passen. Gelukkig heb ik voor alle drie de uitwerkingen een voldoende gehaald. Voor privaatrecht en strafrecht kreeg ik een 7, voor bestuursrecht een 8.

Het mondelinge deel bestaat uit het houden van een pleidooi voor de rechter, inclusief repliek of dupliek. De casus die ik moet bepleiten is één van de drie in het schriftelijke deel uitgewerkte casus. Welke casus dat wordt en welke rol ik toebedeeld krijg, krijg ik vandaag te horen. Deze slotbijeenkomst van het Integratiepracticum vindt plaats op 24 juni 2016 op de campus van de Open Universiteit in Heerlen en vormt de afsluiting van het Integratiepracticum en de bachelor.

Afgelopen vrijdag stond een oefendag ter voorbereiding op de slotbijeenkomst op het programma. Ik moest een pleidooi houden ter verdediging van ‘mijn cliënt’ die diefstal met geweld en rijden onder invloed ten laste werd gelegd. Ik heb slechts één keer eerder gepleit, dus deze dag was een zeer welkome oefening. Ik was tevreden met mijn optreden. Ik bleef precies binnen de toegestane tijd en hield mijn pleidooi los van het papier. Mijn repliek was echter voor verbetering vatbaar.

In september hoop ik te starten met de Master Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een gespecialiseerde master waarvoor slechts een beperkt aantal studenten wordt toegelaten. Ik heb in een motivatiebrief moeten beargumenteren waarom ik van mening ben dat ik geselecteerd zou moeten worden. Aangezien ik geen plan B heb, wacht ik met spanning de uitkomst af.

Gedurende de zomer hoop ik mezelf te kunnen vermaken met cybercriminaliteit. De Open Universiteit biedt namelijk het vak Strafrechtspleging in de gedigitaliseerde samenleving aan en aangezien cybercriminaliteit geen onderdeel is van de Master Informatierecht, lijkt me dit een hele mooie aanvulling. Er is echter wel een probleem. Dit vak kent een vast startmoment en is begin mei reeds gestart. Vanwege de door de politiek ingevoerde ‘harde knip’ mogen studenten niet meer aan een master beginnen, voordat ze hun bachelor volledig hebben afgerond. Omdat ik de bachelor ‘pas’ eind juni afrond, val ik tussen wal en schip. Ik wacht nu op toestemming van de Open Universiteit om ondanks het vaste startmoment toch op een later moment aan dit vak te mogen beginnen.

Woensdag staat iets heel anders op de rol, namelijk het symposium Rechtsvorming door de Hoge Raad. Als hoogste rechtelijke instantie heeft de Hoge Raad vaak het laatste woord en daarmee een rechtsvormende taak. Hierbij is de motivering van de uitspraken van de Hoge Raad van het grootste belang. De Hoge Raad is onlangs verhuisd en het symposium vindt plaats in de grote zittingszaal op de nieuwe locatie. Hartstikke leuk dus! Na afloop van het symposium is het tijd om samen met een aantal medestudenten gezellig na te praten en een hapje te eten. Nog leuker!

Zie mijn Status rechtenstudie pagina voor de actuele status van mijn studie.