Symposium Rechtsvorming door de Hoge Raad

Symposium Rechtsvorming door de Hoge Raad
Gisteren was ik aanwezig bij het Symposium Rechtsvorming door de Hoge Raad dat werd gehouden in de grote zittingszaal van het nieuwe gebouw van de Hoge Raad in Den Haag.

De Hoge Raad der Nederlanden is de hoogste rechter in Nederland op het gebied van het civiele-, straf- en belastingrecht. De Hoge Raad is geen feitenrechter, maar cassatierechter. Een cassatierechter oordeelt of de feitenrechter (meestal het gerechtshof) het recht en de procesregels juist heeft toegepast. De Hoge Raad kan een uitspraak van de feitenrechter vernietigen (casseren), waardoor de feitenrechter de zaak moet overdoen. Kerntaken van de Hoge Raad zijn het bevorderen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling.

In het symposium stond de vraag centraal welke gevolgen de rechtsvormende taak van de Hoge Raad heeft voor de motivering van arresten. Zou de Hoge Raad de achterliggende beleidsargumenten en afwegingen steeds in de motivering van zijn beslissingen moeten vermelden? Wanneer doet hij dit wel en wanneer niet?

Ton Hartlief (hoogleraar privaatrecht, Maastricht; per 1 april 2016 advocaat-generaal) hield een betoog waarin hij zijn stelling verdedigde dat de Hoge Raad zoveel mogelijk zijn gedachtegang om tot een bepaalde uitspraak te komen als motivering in het arrest zou moeten opnemen. Bovendien zou de Hoge Raad moeten motiveren waarom hij van mening is dat hij een bepaalde uitspraak kan en mag doen en waarom. Dit doet de Hoge Raad volgens Hartlief nu alleen in die gevallen wanneer zij van mening is dat zij een bepaalde uitspraak niet kan doen, omdat hij daarmee op de stoel van de wetgever zou gaan zitten.

Ybo Buruma (raadsheer strafkamer) is juist geen voorstander van een omstandige motivering. Volgens Buruma zou bij uitgebreide motivering ook gebruik worden gemaakt van niet of minder accurate argumenten en dat zou volgens hem nu juist de kwaliteit van arresten ondermijnen. Bovendien wordt elk woord van de Hoge Raad op een weegschaal gelegd, wat de houdbaarheid van een uitspraak zou kunnen ondermijnen. Tegenover het zuinig motiveren stelt Buruma de mogelijkheid om uitspraken toe te lichten, bijvoorbeeld door de persraadsheer.

De Hoge Raad wordt bij zijn uitspraken geholpen door een conclusie (advies) van een advocaat-generaal. Ik meen dat het Geert Knigge (advocaat-generaal, strafrecht) was die gekscherend zei dat de advocaat-generaal zijn conclusies uitgebreid motiveert, omdat het zijn doel is om de Hoge Raad te overtuigen van zijn gelijk. De Hoge Raad zelf bedient zich van aanzienlijk minder motivatie, omdat de Hoge Raad niemand hoeft te overtuigen, omdat de Hoge Raad als hoogste rechter in Nederland altijd gelijk heeft.

Maarten Feteris (president van de Hoge Raad) maakte een prachtige metafoor met betrekking tot het al dan niet uitgebreid moeten motiveren van uitspraken: Iedereen herkent wel het beeld van een kind bij de kassa van een supermarkt die de ouder vraagt waarom hij of zij niet een zakje van die onweerstaanbare snoep mag pakken. Terwijl de ene ouder zich beperkt tot de woorden ‘omdat ik het zeg’, start de andere ouder een uitgebreid betoog over tandartsen en wat niet meer zij. Welke ouder straalt nu het meeste gezag uit?

Daar werd dan weer terecht tegenover gezet dat gezag vroeger iets vanzelfsprekends was, maar dat gezag in het huidige tijdperk steeds minder vanzelfsprekend is en verdiend moet worden. Dat gezag kan de Hoge Raad verdienen door goed gemotiveerde arresten te wijzen. En zo is de cirkel weer rond.

Het blijkt dat zowel voor- als tegenstanders van het uitgebreid motiveren van uitspraken sterke argumenten voor hun standpunt hebben. Dineke de Groot (raadsheer civiele kamer) liet desgevraagd ook weten dat dit onderwerp ook daadwerkelijk een onderwerp is waar de Hoge Raad zich mee bezig houdt.

Het was een interessante middag, die werd afgesloten met een borrel. Bij de uitgang werd de die dag verschenen bundel Rechtsvorming door de Hoge Raad uitgereikt. Het symposium was ook meteen een mooie gelegenheid om het prachtige nieuwe gebouw en de indrukwekkende grote zittingszaal (zie foto) van de Hoge Raad te mogen bewonderen. Na afloop heb ik samen met een groep medestudenten van de Open Universiteit nog even lekker nagepraat en gegeten in een in Italiaans restaurant in de buurt.

Afbeelding: Maarten Feteris (president van de Hoge Raad) introduceert het thema.

De laatste loodjes van mijn bachelor

Pleiten | Integratiepracticum

Pleitsessie 29-11-2014

Na behalen van de laatste twee tentamens van mijn bachelor, resteert nu nog slechts de afsluitende eindopdracht om mijn bachelor met succes te kunnen afronden. Deze eindopdracht wordt bij de Open Universiteit het Integratiepracticum genoemd.

Bij het Integratiepracticum is het de bedoeling dat je laat zien dat je de opgedane kennis uit de bachelor in de praktijk kunt toepassen. Dit doe je door drie casus uit de drie verschillende rechtsgebieden (privaatrecht, bestuursrecht, strafrecht) uit te werken. Het vak bestaat uit een schriftelijk en een mondeling deel.

Het schriftelijke deel was pittig en omvangrijk. Het vereiste jurisprudentie- en literatuuronderzoek maakte een aantal bezoeken aan de juridische bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam noodzakelijk. Voor elke uitwerking moet een voldoende worden behaald om door te mogen gaan naar het mondelinge deel van de cursus. Bij twee of meer onvoldoendes is het einde oefening en mag je het vak over een half jaar opnieuw proberen (aangezien de master die ik wil gaan doen alleen in september begint, zou dat voor mij een vertraging van een heel jaar betekenen). Bij één onvoldoende krijg je nog de gelegenheid om je uitwerking aan te passen. Gelukkig heb ik voor alle drie de uitwerkingen een voldoende gehaald. Voor privaatrecht en strafrecht kreeg ik een 7, voor bestuursrecht een 8.

Het mondelinge deel bestaat uit het houden van een pleidooi voor de rechter, inclusief repliek of dupliek. De casus die ik moet bepleiten is één van de drie in het schriftelijke deel uitgewerkte casus. Welke casus dat wordt en welke rol ik toebedeeld krijg, krijg ik vandaag te horen. Deze slotbijeenkomst van het Integratiepracticum vindt plaats op 24 juni 2016 op de campus van de Open Universiteit in Heerlen en vormt de afsluiting van het Integratiepracticum en de bachelor.

Afgelopen vrijdag stond een oefendag ter voorbereiding op de slotbijeenkomst op het programma. Ik moest een pleidooi houden ter verdediging van ‘mijn cliënt’ die diefstal met geweld en rijden onder invloed ten laste werd gelegd. Ik heb slechts één keer eerder gepleit, dus deze dag was een zeer welkome oefening. Ik was tevreden met mijn optreden. Ik bleef precies binnen de toegestane tijd en hield mijn pleidooi los van het papier. Mijn repliek was echter voor verbetering vatbaar.

In september hoop ik te starten met de Master Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een gespecialiseerde master waarvoor slechts een beperkt aantal studenten wordt toegelaten. Ik heb in een motivatiebrief moeten beargumenteren waarom ik van mening ben dat ik geselecteerd zou moeten worden. Aangezien ik geen plan B heb, wacht ik met spanning de uitkomst af.

Gedurende de zomer hoop ik mezelf te kunnen vermaken met cybercriminaliteit. De Open Universiteit biedt namelijk het vak Strafrechtspleging in de gedigitaliseerde samenleving aan en aangezien cybercriminaliteit geen onderdeel is van de Master Informatierecht, lijkt me dit een hele mooie aanvulling. Er is echter wel een probleem. Dit vak kent een vast startmoment en is begin mei reeds gestart. Vanwege de door de politiek ingevoerde ‘harde knip’ mogen studenten niet meer aan een master beginnen, voordat ze hun bachelor volledig hebben afgerond. Omdat ik de bachelor ‘pas’ eind juni afrond, val ik tussen wal en schip. Ik wacht nu op toestemming van de Open Universiteit om ondanks het vaste startmoment toch op een later moment aan dit vak te mogen beginnen.

Woensdag staat iets heel anders op de rol, namelijk het symposium Rechtsvorming door de Hoge Raad. Als hoogste rechtelijke instantie heeft de Hoge Raad vaak het laatste woord en daarmee een rechtsvormende taak. Hierbij is de motivering van de uitspraken van de Hoge Raad van het grootste belang. De Hoge Raad is onlangs verhuisd en het symposium vindt plaats in de grote zittingszaal op de nieuwe locatie. Hartstikke leuk dus! Na afloop van het symposium is het tijd om samen met een aantal medestudenten gezellig na te praten en een hapje te eten. Nog leuker!

Zie mijn Status rechtenstudie pagina voor de actuele status van mijn studie.

Hof stelt NSE in het gelijk, maar procedure sleept zich voort

Persbericht Amsterdam, 8 maart 2016 – Het Hof verrast vriend en vijand vandaag door voor de tweede maal met een tussenarrest in plaats van een eindarrest te komen. Het hof twijfelt, net als News-Service Europe (NSE), aan het belang dat Stichting BREIN nog heeft bij voortzetting van de procedure nu News-Service Europe haar activiteiten na het vonnis van de rechtbank heeft gestaakt. Daarom gelast het hof comparitie van partijen, waarbij de voortzetting van de procedure zal worden besproken.

Ondanks het feit dat het hof inmiddels alle vorderingen van BREIN heeft afgewezen, is het hof van mening dat er ruimte bestaat voor het eventueel opleggen van minder verstrekkende maatregelen. Sinds het tussenarrest van 19 augustus 2014 is dit het nog resterende onderwerp van het geschil.

Het hof oordeelt in het tussenarrest van vandaag dat BREIN er na het vorige tussenarrest niet in is geslaagd om alsnog concrete feiten aan te dragen die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat News-Service Europe toch onrechtmatig zou hebben gehandeld. Het hof beslist de overgebleven grieven dan ook in voordeel van News-Service Europe met de definitieve conclusie dat News-Service Europe niet onrechtmatig heeft gehandeld.

Wierd Bonthuis, voormalig CFO hierover: “Ik ben blij met de definitieve conclusie van het hof dat News-Service Europe niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het is echter pijnlijk om te moeten constateren dat hiermee is vast komen te staan dat BREIN in 2011 News-Service Europe ten onrechte heeft gedwongen om haar activiteiten te staken.”

Indien BREIN het hof tijdens de comparitie weet te overtuigen dat zij weldegelijk nog een belang heeft bij voorzetting van de procedure, zal het hof een vervolgcomparitie gelasten waarbij partijen een deskundige dienen aan te wijzen met als doel om te onderzoeken welke maatregelen eventueel aan News-Service Europe kunnen worden opgelegd. Het feit dat News-Service Europe niet meer actief is, staat volgens het hof niet in de weg aan het opleggen van aanvullende maatregelen. Het hof wil dat de deskundigen met name de technische haalbaarheid van een woordfilter en het blokkeren van bepaalde nieuwsgroepen onderzoeken.

Patrick Schreurs, voormalig CEO van News-Service Europe: “Ik ben verheugd met het feit dat het hof alle principiële grieven in ons voordeel heeft beslist en dat alle vorderingen van BREIN zijn afgewezen. Het is echter teleurstellend dat er maar geen einde lijkt te komen aan deze ellenlange procedure.”

Over usenetproviders
De rol van een usenetprovider is vergelijkbaar met een internetprovider of een e-mailprovider. Een usenetprovider stelt usenetgebruikers in staat berichten te plaatsen in de openbare nieuwsgroepen en zorgt ervoor dat deze berichten voor het gehele usenet beschikbaar komen. Dergelijke neutrale tussenpersonen bieden toegang tot een technologisch platform zonder bemoeienis met hetgeen door de gebruikers wordt geplaatst.

Voorgeschiedenis
In 2009 start Stichting BREIN een rechtszaak tegen usenetprovider News-Service Europe. BREIN is van mening dat usenetproviders zelfstandig auteursrechtelijk beschermde werken verveelvoudigen en openbaar maken. BREIN eist dat News-Service Europe hiermee stopt. De rechtbank stelt BREIN in het gelijk en verbiedt News-Service Europe om langer auteursrechtelijk beschermde werken vast te leggen en ter beschikking te stellen op straffe van een dwangsom van € 50.000 per dag. Dit gebod komt neer op een verstrekkende, preventieve, algemene en 100% waterdichte filterverplichting. Omdat News-Service Europe onmogelijk aan dit onhaalbare gebod kon voldoen, was zij genoodzaakt vanaf 4 november 2011 om 18.00 uur haar activiteiten te staken. Inmiddels was het al hoger beroep al ingesteld.

Over News-Service Europe B.V.
News-Service Europe (News-Service.com) startte in 1998 en was een succesvolle in Nederland gevestigde usenetprovider met een internationale klantenkring. Eind 2011 werd News-Service Europe gedwongen haar diensten te staken. News-Service Europe leverde enkel toegang tot usenet aan bedrijven, zoals resellers en internetproviders.

Het tussenarrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl.

 

Constitutioneel recht en Grondrechten

Constitutioneel recht en Grondrechten

De eerste week van februari was de eerste tentamenweek van 2016. Nadat ik lang heb zitten twijfelen welke van de twee nog resterende vakken voor mijn bachelor Rechtsgeleerdheid ik eerst zou gaan doen, heb ik eind november besloten om ze allebei maar te gaan proberen. Om te voorkomen dat ik beide vakken net niet zou halen, zou ik mij concentreren op Constitutioneel recht (dat is een dubbelvak van 8,6 studiepunten) en zou ik wat minder tijd besteden aan Grondrechten (4,3 studiepunten) en deze gewoon op goed geluk te proberen. Grondrechten is één van de weinige meerkeuzetentamens en meerkeuze ligt mij wel. Dus onder het motto ‘niet geschoten, altijd mis’ zou ik voor dit vak gewoon een poging wagen.

Ik had mijn Bachelor essay een kleine 2 weken eerder ingeleverd dan noodzakelijk was, om mijzelf wat extra tijd te geven voor Constitutioneel recht en Grondrechten. Slechts twee weken voor de tentamenweek had ik de enorme hoeveelheid studiemateriaal van Constitutioneel recht een keer gezien en begon ik aan Grondrechten. Ik vond Grondrechten echt een heel boeiend en actueel vak, dat in mijn geval erg verslavend werkte. Het resultaat was dat ik vanaf dit moment tot aan de tentamenweek elke dag van ’s ochtends tot ’s avonds laat met mijn neus in de boeken zat.

Grondrechten waarborgen in beginsel de vrijheid van burgers tegenover de overheid (verticale werking). Maar soms kan een burger zich ook op grondrechten beroepen tegenover een andere burger (horizontale werking). In mijn rechtszaak tegen Stichting Brein komt de horizontale werking van een aantal grondrechten uitvoerig aan bod.

In zijn algemeenheid kan je zeggen dat de opkomst van het internet het belang van grondrechten heeft vergroot. Met behulp van het internet heeft iedereen bijvoorbeeld een podium gekregen om zijn of haar mening te verkondigen. Maar mag je alles zomaar zeggen? Met andere woorden: Hoever reikt de vrijheid van meningsuiting? Ook maakt het internet het mogelijk dat derden in kaart brengen welke websites iemand bezoekt. Is dit niet in strijd met je recht op privacy? Of zou het zijn toegestaan omdat die websites graag meer willen weten over de bezoekers van hun websites? Kortom, is er een legitieme reden om een beperking op een grondrecht toe te staan?

Tussen Constitutioneel recht en Grondrechten bestaat een zekere overlap. Bij de vraag of een politicus een grotere vrijheid van meningsuiting heeft dan anderen (denk aan het strafproces tegen Wilders), komen beide rechtsgebieden aan bod. De vraag of en hoe een politicus die en strafbaar feit heeft begaan (lekken uit de commissie Stiekem) kan worden vervolgd is een voorbeeld van een actuele vraag uit het rechtsgebied van Constitutioneel recht.

De week voor de tentamenweek moest ik mijn tijd verdelen over beide vakken. Maandagavond (1 februari) was het tijd voor het tentamen Grondrechten en woensdagavond (3 februari) was het tijd voor Constitutioneel recht, zodat ik voor dit vak nog wat extra tijd had. Met een beetje mazzel zou dit het laatste tentamen van mijn bachelor worden.

De afgelopen dagen kwamen de resultaten binnen. Dat werkt bij de Open Universiteit altijd wat omslachtig. Op een dag kan je via een website van de OU erachter komen of je bent geslaagd. Niemand weet wanneer dit is, zodat vele studenten meerdere keren per dag inloggen om te checken of de cijfers al zijn verwerkt. Als het vak zakt van actieve vakken naar eerdere vakken, dan ben je geslaagd. De volgende ochtend kan je dan je cijfer opvragen. Weer een dag later is het cijfer ingevuld op je cijferlijst.

Gelukkig bestaat er een gezellige facebookgroep van medestudenten waarin iemand die ontdekt dat de cijfers van een vak zijn verwerkt dit onmiddellijk vermeldt, zodat je niet zelf continu de website van de OU in de gaten hoeft te houden. Bovendien zijn de vele felicitaties en bij tijd en wijle de noodzakelijke schoppen onder de kont hartverwarmend. Zonder deze groep zou studeren aan de OU echt veel moeilijker en eenzamer zijn.

Oh ja.. de resultaten… Voor misschien wel het mooiste vak van de bachelor (Grondrechten) heb ik een hele fijne 8 gehaald. Vanochtend kon ik het cijfer voor mijn laatste tentamen van mijn bachelor (Constitutioneel recht) opvragen: een belachelijke 9. Een wat?! Ja, het staat er echt. Kijk maar:cijfer CR

Inmiddels ben ik begonnen aan de eindopdracht (Integratiepracticum). Uiterlijk op zondag moet ik de eerste opdracht inleveren. Daar ben ik dit weekend nog wel een paar uur zoet mee. Gauw weer verder dus.

Zie mijn Status rechtenstudie pagina voor de actuele status van mijn studie.

Afbeelding: flickr

Vrijheid van meningsuiting versus handhaving van de openbare orde

Vrijheid van meningsuitingDit najaar had ik drie vakken op het programma staan: Europees recht, Juridische gespreksvaardigheden en Bachelor essay. De laatste twee vakken zijn vaardighedenvakken die niet met een tentamen, maar met een opdracht worden afgesloten. Voor de vaardighedenvakken stonden verplichte bijeenkomsten op het programma, waardoor ik een stuk minder flexibel was om mijn tijd in te delen dan ik gewend was. De week van het tentamen van Europees, was een week waarin bijvoorbeeld alle drie de vakken samenvielen. Dat was flink aanpoten.

Europees recht gaat over het ontstaan en de werking van de huidige Europese Unie. Dat de Europese samenwerking na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan om in Europa de vrede te bewaren door de oorlogsindustrie van de grootmachten Frankrijk en Duitsland te reguleren, is tegenwoordig weinig aandacht meer voor. Maar Europees recht is ook een interessant vak, omdat steeds meer regelgeving uit Europa komt. Vorige week woonde ik bijvoorbeeld een zitting bij met als inzet de vraag of e-books tweedehands mogen worden verkocht, waarbij de Europese richtlijnen me om de oren vlogen (de Auteursrechtrichtlijn, de Softwarerichtlijn, de btw-richtlijn). Het tentamen Europees recht sloot ik op 10 november 2015 af met een 7.

Bij Juridische gespreksvaardigheden leer je gesprekken te voeren als een advocaat. Een intakegesprek, een adviesgesprek en een slechtnieuwsgesprek worden tijdens twee verplichte dagen in groepjes van vier studenten geoefend. Tijdens deze dagen speel je om de beurt de rol van advocaat of van cliënt. Als je geen rol speelt, is het je taak om de rol van je medestudenten te beoordelen. Het waren twee pittige dagen, maar we hebben ook ontzettend gelachen. Het vak werd afgesloten op de gesprekkendag van 4 december 2015. Ik moest een intakegesprek doen ten overstaan van een tweekoppige jury. De gesprekken werden niet beoordeeld met een cijfer, maar met een voldoende of een onvoldoende. Ik kreeg gelukkig een voldoende. Missie geslaagd.

Bij het vak Bachelor essay moet je een korte scriptie schrijven. Uit een lijst van mogelijke onderwerpen koos ik een onderwerp over de vrijheid van meningsuiting. Een onderwerp dat mij aanspreekt, omdat met de opkomst van het internet de vraag tot hoever de vrijheid van meningsuiting reikt nogal eens aan bod komt.

Mijn opdracht luidde als volgt:

“Veronderstel dat u een activiteit organiseert waarbij u gebruik maakt van uw recht om uw mening te verkondigen. Het gebruik van de geluidsversterking die u nodig heeft, is onderworpen aan de eisen in de vergunning die u daarvoor moest aanvragen. De redelijke uitleg van artikel 7 lid 3 van de Grondwet verzet zich niet tegen een vergunningenstelsel met betrekking tot het geluid, maar dit mag niet ten koste gaan van de vrijheid van meningsuiting. Daar rest echter ten minste de volgende vraag te beantwoorden: hebben eisen met betrekking tot geluid, betrekking op de inhoud?”

De opdracht was om een voldoende wetenschappelijke probleemstelling te formuleren om deze middels een juridisch onderzoek te beantwoorden. Na het vaststellen van de probleemstelling moest een onderzoeksplan worden opgesteld. Voor het vinden van voldoende wetenschappelijke bronnen heb ik meerdere keren de juridische bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam bezocht. Nadat mijn onderzoeksplan was goedgekeurd, mocht ik beginnen aan het schrijven van mijn juridische essay.

Op 25 november 2015 heb ik mijn essay afgerond en ter beoordeling ingediend. Afgelopen vrijdag ontving ik mijn beoordeling: wederom een 7. Voor de liefhebber is mijn scriptie is onderaan deze post terug te vinden.

Ik heb dit najaar een flinke stap gezet ter afronding van mijn bachelor. Momenteel ben ik bezig met de voorbereiding voor de tentamenronde van begin februari. Op het programma staan de laatste twee tentamens van de bachelor: Constitutioneel recht en Grondrechten. Ik voldoe nu aan de vereisten om in februari te mogen beginnen aan de eindopdracht van de bachelor, het Integratie practicum.

 

Zie mijn Status rechtenstudie pagina voor de actuele status van mijn studie.

Mag je tweedehands e-books verkopen?

tweedehands e-books
Mag je tweedehands e-books verkopen? Dat is de inzet van een bodemprocedure aangespannen door het Nederlands Uitgeversverbond (NUV) tegen E-bookverkoper Tom Kabinet. Gisteren was het pleidooi bij de rechtbank Den Haag. Aangezien de vraag of je tweedehands e-books mag verkopen nogal een principiële vraag is, vond ik het interessant om de zitting bij te wonen. Bovendien is het altijd leuk om mijn eigen advocaat te horen pleiten, dit keer vanuit het kamp van de auteursrechthebbenden. Hier volgt een verslag van de zitting.

Tom Kabinet

Tom Kabinet biedt met hun site consumenten de mogelijkheid om hun e-books tweedehands te verkopen. De gedachte daarachter is dat als je een (fysiek) boek tweedehands mag verkopen, dit ook mogelijk zou moeten zijn voor een e-book. Het doel van Tom Kabinet is, aldus haar website, om legale e-books aantrekkelijk en betaalbaar te maken voor een groot publiek. Het NUV is van mening dat het verkopen van tweedehands e-books verboden is.

Het NUV en Tom Kabinet hebben in kort geding al voor de rechter gestaan. In hoger beroep oordeelde het hof dat de zaak inhoudelijk te complex is om in kort geding af te doen. Omdat er veel onduidelijkheden zijn, zou het volgens het hof gepast zijn om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie. Het hof vindt het echter niet gepast om dit in een kort geding procedure te doen. Het hof adviseerde daarom een bodemprocedure te beginnen. Het hof heeft echter wel een oordeel over de exploitatie van evident illegale e-books door Tom Kabinet. Dit is onrechtmatig en moet stoppen. Hierop past Tom Kabinet zijn werkwijze aan en het NUV start een bodemprocedure.

Zitting

De advocaat van het NUV, Christiaan Alberdingk Thijm (bureau Brandeis), begint net na 10.00 uur zijn pleidooi met de stelling dat Tom Kabinet het mogelijk maakt om van piraterij je beroep te maken. Al snel komt het feitelijk functioneren van Tom Kabinet aan bod. Dit vergt de nodige tijd, omdat de rechtbank vastbesloten is om exact te begrijpen hoe Tom Kabinet nu precies functioneert en daartoe aan het NUV de nodige vragen stelt. Dit leidt tot enige irritatie bij de advocaat van Tom Kabinet, Dick Van Engelen (Ventoux), die de rechtbank vraagt waar het NUV deze uitleg nu eigenlijk stelt. Deze vraag leidt vervolgens weer tot irritatie bij de rechtbank, die antwoordt dit dit vragen van de rechtbank aan het NUV betreffen. De messen zijn duidelijk geslepen.

Op de aanwezigheid van een groep leerlingen na (excursie naar de rechtbank) was er weinig belangstelling voor de zitting. Dat verbaast me toch enigszins omdat er een geschil voorligt dat veel verder reikt dan alleen maar Tom Kabinet. Ik vraag me overigens af hoe lang het nog duurt voordat ik rechtszittingen, net als de vergaderingen van de Tweede Kamer, thuis vanaf de bank kan volgen. Ik zou daarvoor willen pleiten, maar dit terzijde.

Auteursrecht

Het zonder toestemming van de auteursrechthebbende verspreiden van een auteursrechtelijk beschermd werk is in beginsel een inbreuk op de auteursrechten. Wanneer het werk echter door eigendomsoverdracht in omloop is gebracht, is er geen sprake van een inbreuk op het auteursrecht. Deze uitzondering volgt uit de auteursrechtrichtlijn 2001/29/EG (opgenomen in artikel 12b van de Auteurswet). Een werk wordt door eigendomsoverdracht in het verkeer gebracht als er een fysieke drager (zoals een fysiek boek of een CD/DVD) wordt overgedragen. De rechthebbende heeft in dat geval geen zeggenschap meer over de verdere verspreiding van zijn werk; zijn auteursrecht op dat exemplaar van zijn werk is uitgeput. Dit is de reden waarom een (fysiek) boek, CD of DVD tweedehands (en derdehands, etc.) mag worden verkocht.

In het UsedSoft-arrest bepaalde het Europese Hof van Justitie dat het uitputtingsbeginsel ook voor gedownloade software van toepassing is en dat deze software dus tweedehands mag worden verkocht. Wel moet de tweedehandsverkoper zijn eigen exemplaar wissen, wat natuurlijk logisch is. Een e-book is niet tastbaar en wordt niet door eigendomsoverdracht overgedragen. Een e-book zou dus juridisch als software moeten worden gezien om de tweedehandsverkoop mogelijk te maken.

De Europese softwarerichtlijn 2009/24/EG geeft geen definitie van een computerprogramma. De gangbare definitie volgens Tom Kabinet is “het geheel van instructies waarmee een computer een functie uitvoert”. Dit maakt alle digitale bestanden tot computerprogramma’s. De functie van een word-document is bijvoorbeeld: laat mij een document typen, aldus Tom Kabinet. De rechtbank vraagt zich terecht af of databasebestanden, muziekbestanden en filmbestanden dan ook dienen te worden gezien als computerprogramma’s. Tom Kabinet bevestigt dit en erkent dat dit standpunt (nog) geen steun vindt in de literatuur.

Tom Kabinet klampt zich vast aan het UsedSoft-arrest. Een e-book is een digitaal bestand en daarmee een computerprogramma. Het UsedSoft-arrest dat van toepassing is op computerprogramma’s bepaalt dat het auteursrecht is uitgeput na de verkoop door de auteursrechthebbende en deze zich daarom niet kan verzetten tegen verdere verspreiding van zijn werk. Hierop steunt het (huidige) businessmodel van Tom Kabinet.

De principiële vraag die aldus moet worden beantwoord is deze: Is een e-book software?

Wissen

Het NUV wijst op de problematiek van het wissen van het exemplaar van de tweedehandsverkoper, hetgeen een voorwaarde is volgens het UsedSoft-arrest. Hoe valt te verifiëren dat de tweedehandsverkoper zijn exemplaar heeft gewist? Tom Kabinet voert aan dat als de verkoper van een e-book zijn exemplaar na verkoop niet wist, dit die verkoper is aan te rekenen en niet Tom Kabinet.

Bovendien, aldus het NUV, blijven e-books die een consument heeft gekocht bij bijvoorbeeld bol.com minimaal 2 jaar voor hem beschikbaar via de website van de verkoper. Bol.com biedt consumenten niet de mogelijkheid om zijn gekochte e-books op de website van bol.com te verwijderen. Dus ook als de tweedehandsverkoper netjes zijn exemplaar van al zijn apparaten verwijderd, dan kan hij nog steeds over het e-book beschikken door het opnieuw van de website van de e-bookverkoper (bol.com) te downloaden. De consument is vaak dus helemaal niet in staat om zijn exemplaar definitief te verwijderen.

Tom Kabinet stelt dat zij bol.com verzocht heeft om het voor de consument mogelijk te maken om de door hun gekochte e-books van de website te verwijderen. Bol.com was hiertoe niet bereid. Tom Kabinet beweert dat bol.com deze functionaliteit op verzoek van het NUV niet wil implementeren, zodat het NUV in zijn zaak tegen Tom Kabinet sterker staat.

Het NUV verwijst nog naar Blendle. Blendle stelt artikelen uit kranten en tijdschriften tegen betaling beschikbaar nadat deze in de krant of tijdschrift zijn verschenen. Je zou dit tweedehandsverkoop kunnen noemen. Het grote verschil met Tom Kabinet is volgens het NUV, dat Blendle wel toestemming van de rechthebbende heeft en Tom Kabinet niet.

Ook in de tweede termijn worstelt de rechtbank duidelijk met de vraag of er een technische oplossing kan worden bedacht om ervoor zorg te dragen dat de oorspronkelijk koper niet meer bij zijn e-book kan, nadat hij deze deze aan Tom Kabinet heeft verkocht. Daar voegt de rechtbank nog aan toe dat ze best snapt dat uitgevers ‘het’ (de tweedehands verkoop van e-books) niet willen.

Niet-ontvankelijk

Tom Kabinet heeft als verweer onder meer opgevoerd de niet-ontvankelijkheid van NUV, omdat er voorafgaand aan de procedure geen overleg is geweest tussen partijen. Aangezien het NUV opkomt voor de belangen van haar leden, stelt de wet de verplichting dat het NUV in een overleg moet hebben geprobeerd tot overeenstemming te komen (artikel 3:305a BW). Partijen zijn het met elkaar oneens of het contact dat er op het kantoor van het NUV is geweest, kan worden beschouwd als een overleg. Alvorens voor de eerste keer te schorsen verzoekt de rechtbank Tom Kabinet om tijdens de schorsing na te denken of zij wel gebaat is bij een eventuele niet-ontvankelijkheidsverklaring van het NUV. De rechtbank meent dat dit waarschijnlijk alleen maar tot vertraging en extra kosten zal leiden.

Na de schorsing geeft Tom Kabinet desgevraagd aan haar niet-ontvankelijkheidsverweren te handhaven. De kosten spelen daarbij een rol. Het NUV deelt haar kosten met haar 200 leden, hetgeen volgens Tom Kabinet neerkomt op minder dan EUR 500,- per lid, terwijl Tom Kabinet de kosten geheel zelf moet dragen. Niet-ontvankelijkheid zou volgens Tom Kabinet leiden tot proceskostenvergoeding door het NUV.

Tom Kabinet maakte al eerder bezwaar tegen de processtrategie van het NUV. Door eerst een kort geding uit te vechten om enige tijd later een bodemprocedure te starten, wordt Tom Kabinet opzettelijk door het NUV op kosten gejaagd (“plat geprocedeerd”). Het verweer van het NUV hierop is, dat Tom Kabinet wist dat zij een controversiële dienst in de markt zette en zij dus ook zelf een bodemprocedure had kunnen beginnen.

Prejudiciële vragen

Het NUV verzoekt de rechtbank om geen prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie te stellen. Het NUV wil geen proefproces en wil het liefst zo snel mogelijk een eindvonnis. Tom Kabinet vindt het stellen van prejudiciële vragen niet nodig als de rechtbank de mening deelt dat een e-book moet worden beschouwd als software. Deelt de rechtbank die mening niet, dan verzoekt Tom Kabinet de rechtbank zich wel tot het Europese Hof te wenden, met de vraag hoe een e-book dan wel moet worden gezien.

Tom Kabinet verzoekt de rechtbank om zelf prejudiciële vragen te stellen en dit niet in een latere fase over te laten aan het gerechtshof of de Hoge Raad in verband met de extra tijd en kosten die dit met zich meebrengt. Het lijkt erop dat Tom Kabinet ervoor vreest om zonder advies van het Europese hof in het ongelijk te worden gesteld en zo gedwongen wordt om haar activiteiten te staken. Die vrees is niet onterecht.

Uitspraak

De rechtbank sluit om 14.30 uur de zitting met de mededeling dat zij het een lastige maar interessante zaak vindt. Ze zal proberen om op 27 april 2016 uitspraak te doen.

Het is natuurlijk een logische gedachte dat als je een (fysiek) boek tweedehands mag verkopen, je dit ook zou moeten kunnen met een e-book. Het probleem is echter dat het technisch niet mogelijk is om er zeker van te zijn dat de verkoper zijn exemplaar ook daadwerkelijk wist. Voor je het weet zijn er 2 exemplaren in omloop (en daarna 4, 8, 16, etc.), terwijl de auteursrechthebbende maar één keer is vergoed.

Stel dat de rechtbank van oordeel is dat je een digitaal bestand waarop auteursrecht op rust tweedehands mag verkopen. Dan zou het ook mogelijk worden om online een film te kopen om deze vervolgens enkele dagen later weer voor nagenoeg hetzelfde bedrag te verkopen. Dat zou een onhoudbare situatie opleveren.

Dus hoewel regels voor de online wereld zoveel mogelijk overeen zouden moeten komen met de regels voor de offline wereld, is dit misschien wel zo’n voorbeeld waarbij dat uitgangspunt simpelweg niet mogelijk is.

Brein versus usenet: Tijd voor de uitspraak?

UPDATE 21 december 2015: Het hof heeft laten weten op 8 maart 2016 uitspraak te gaan doen.

UPDATE 8 december 2015: Uitspraak opnieuw uitgesteld. Dit keer tot tot 5 januari 2016.

UPDATE 17 november 2015: Uitspraak uitgesteld tot 8 december 2015.

Brein versus UsenetRuim 8 maanden nadat de uitwisseling van standpunten eindigde in het hoger beroep Brein versus Usenet, de rechtszaak die piratenbestrijder Stichting Brein heeft aangespannen tegen Usenet provider News-Service Europe BV (NSE), lijkt het volgende week nu echt tijd voor het hof om arrest te gaan wijzen. Of zal het hof de zaak nog een keer aanhouden?

Ruim 6½ jaar geleden ontstond het eerste contact met Stichting Brein en na een procedure van ruim 2 jaar verloor ik op 28 september 2011 de zaak bij de rechtbank op alle fronten. Stichting Brein was niet bereid om het inmiddels door ons ingestelde hoger beroep af te wachten en dwong NSE om haar haar activiteiten te staken op straffe van een dwangsom van maar liefst € 50.000 per dag. Het was dan ook onvermijdelijk dat op 4 november 2011 de systemen van NSE op zwart gingen.

Omdat wij tijd nodig hadden om NSE op een nette manier te ontmantelen en om het hoger beroep voor te bereiden heeft het wel een jaar geduurd voordat het hoger beroep inhoudelijk van start ging. Ondertussen begon ik in september 2012 aan mijn studie rechten.

In de zomer van 2014 zat iedereen klaar voor het definitieve oordeel van het hof, maar het hof verraste vriend en vijand met een tussenarrest. Op verzoek van het hof hebben partijen gedurende de winter 2014/2015 nog een akte genomen. Op 10 maart 2015 gaf het hof aan klaar te zijn om uitspraak te gaan doen. De datum waarop het hof arrest zou wijzen is een aantal keer uitgesteld – de laatste keer zelfs met maar liefst 5 maanden – en staat nu voor 17 november 2015 op de rol.

Dus als het goed is geeft het Gerechtshof Amsterdam volgende week eindelijk antwoord op de vraag of een usenet provider aansprakelijk gesteld kan worden voor de inbreukmakende berichten die gebruikers het op het usenet plaatsen.

Het antwoord op die vraag moet natuurlijk een keihard ‘Nee, natuurlijk niet!’ zijn. Elk ander antwoord zou Rijkswaterstaat aansprakelijk maken voor elk (illegaal) transport dat op haar snelwegen plaatsheeft; het zou een internetprovider aansprakelijk maken voor misdrijven die met behulp van haar infrastructuur zijn beraamd of voor de (illegale) e-mails die zij voor haar gebruikers opslaat; het zou een hostingprovider aansprakelijk maken voor alle (illegale) uitlatingen van haar websitehouders; het zou Google aansprakelijk maken voor de links die zij toont naar (illegale) websites, etc. etc.

Studieplanning

Studieplanning

Juridische bibliotheek UvA.

Het maken van een studieplanning voor een studie aan de Open Universiteit is een vak op zich. Dat komt omdat de OU werkt met losse vakken en de planning daarvan volledig aan de student overlaat. Dit heeft natuurlijk als voordeel dat je als student hierdoor een grote mate van flexibiliteit krijgt en zo je eigen studietempo kan bepalen, maar het maken van een goede studieplanning is niet eenvoudig.

Bij het maken van een een studieplanning spelen (bij mij) een groot aantal factoren een rol: Lees verder

Een iPad is een computer. En een iPhone?

Een ipad is een computer, aldus de Hoge Raad.

Bron: Flickr

Vorige week oordeelde de Hoge Raad in een belastingzaak dat een iPad gezien moet worden als een computer en niet als een communicatiemiddel. Het gevolg is dat een werkgever loonheffing moet betalen over de aan haar personeel verstrekte iPads. Maar als een iPad een computer is, hoe zit dat dan met een iPhone en andere smartphones?

De uitspraak is het sluitstuk van een geschil tussen RTL Nederland en de Belastingdienst. Volgens de Belastingdienst moet RTL Nederland loonheffing betalen over de 664 aan haar medewerkers geschonken iPads. Volgens Webwereld gaat het om een bedrag van maar liefst 3 ton.

Om te bepalen of er loonbelasting dient te worden betaald is van belang om te weten of een iPad volgens de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) valt onder de categorie ‘telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen – niet zijnde computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur’ (artikel 15b, eerste lid, onder f, Wet LB 1964) of onder de categorie ‘computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur’ (artikel 15b, eerste lid, onder s). Kort gezegd komt het er in dit geschil op neer dat indien een iPad valt onder de categorie ‘communicatiemiddelen’ er geen loonheffing hoeft te worden betaald, maar als een iPad gerekend kan worden tot de categorie ‘computers’ dit wel het geval is.

De rechtbank was in 2012 van oordeel dat een iPad als een computer moet worden gezien (r.o. 4.5.3):

“Gelet op de vele andere gebruiksmogelijkheden die de iPad heeft, is de rechtbank van oordeel dat de communicatiefunctie van de iPad niet zodanig is dat deze een centrale rol speelt. (..) Mede gelet op het formaat van de iPad, het geheugen van 32 GB en met inachtneming van de vele andere gebruiksmogelijkheden dient de iPad veeleer te worden aangemerkt als kleine computer die mede geschikt is voor verschillende vormen van communicatie.”

RTL Nederland ging in beroep en werd in 2014 door het Hof Amsterdam in het gelijk gesteld. Een iPad is toch géén computer (r.o. 4.2.12):

“Het beeldscherm en de invoermogelijkheden zijn bij deze apparaten te beperkt voor langdurig gebruik als computer.”

Hierop ging de Belastingdienst in cassatie. En met succes, want de Hoge Raad heeft vorige week de uitspraak van het hof vernietigd. Volgens ons hoogste rechtsorgaan moet niet de vraag beantwoord worden of een iPad het meeste lijkt op de beschrijving van een communicatiemiddel of van een computer, maar moet eerst (r.o. 2.5.2)..

“(..) worden beoordeeld of zij [de iPads] moeten worden gerekend tot de ‘computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur’ vermeld in artikel 15b, lid 1, letter s, Wet LB en dat pas bij een ontkennende beantwoording van die vraag onderzocht moet worden of die iPads kunnen worden gerangschikt onder de in letter f van die wetsbepaling bedoelde categorie ‘telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen’.”

Dus pas als een iPad niet valt onder de beschrijving van een computer, dient te worden beoordeeld of hij wellicht voldoet aan de beschrijving van een communicatiemiddel. Vervolgens overweegt de Hoge Raad (r.o. 2.5.4):

“Zoals blijkt uit de reeds genoemde omschrijving van het apparaat door het Hof kenmerkt de iPad zich, evenals een desktop- of notebookcomputer, door zijn veelzijdige inzetbaarheid voor de verwerking en opslag van gegevens, in de vorm van tekst, cijfers, beeld en geluid, het zoeken naar informatie op het internet, en voor ontspanning. Dit brengt mee dat de iPads moeten worden gerangschikt onder de in artikel 15b, lid 1, letter s, Wet LB bedoelde categorie.”

De Hoge Raad ziet een iPad dus als een computer, zodat RTL Nederland uiteindelijk toch aan het kortste eind trekt en ruim 3 ton aan achterstallige loonheffing moet betalen.

Maar nu de Hoge Raad stelt dat eerst moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan de beschrijving van een computer en pas indien dit niet het geval is moet worden beoordeeld of er dan wellicht sprake is van een communicatiemiddel, vallen iPhones en andere smartphones dan niet ook onder de categorie ‘computer’? Een smartphone kenmerkt zich immers toch ook ‘door zijn veelzijdige inzetbaarheid voor de verwerking en opslag van gegevens, in de vorm van tekst, cijfers, beeld en geluid, het zoeken naar informatie op het internet, en voor ontspanning’?

Aangezien je met een smartphone nagenoeg hetzelfde kan als met een iPad moet deze vraag naar mijn menig bevestigend worden beantwoord. Dus niet alleen een iPad blijkt een computer te zijn, maar ook een iPhone en elke andere smartphone.

En toch zijn de gevolgen van deze uitspraak niet zo groot als het lijkt. Waarom niet? Omdat met ingang van 1 januari 2011 alle artikelen met betrekking vrije vergoedingen en verstrekkingen uit de Wet op de loonbelasting zijn geschrapt. De uitspraak heeft slechts betrekking op de tekst van de Wet op de loonbelasting zoals deze in 2010 was. De nieuwe werkkostenregeling maakt geen onderscheid meer tussen computer en communicatiemiddel.

Studie voortgang: Formeel strafrecht

Formeel strafrecht

Bron: Flickr

Hoewel mijn blog af en toe behoorlijk stilstaat, staat mijn studie dat zeker niet. Integendeel! Het gaat best lekker en het einde van de bachelor komt al in zicht. Alle privaatrecht en bestuursrecht vakken heb ik inmiddels binnen. En als ik me niet heel erg vergis, kan ik nu strafrecht aan dat lijstje toevoegen.

Gisteravond was het tijd voor Formeel strafrecht, mijn zomerproject. Vanwege het mooie weer tijdens de schoolvakantie van mijn meiden is het studeren er af en toe flink bij ingeschoten. Dat maakte een pittige eindsprint noodzakelijk. Formeel strafrecht gaat over strafprocesrecht. Het gaat niet zo zeer over wat strafbaar is en hoe het zit met strafverzwarende of verminderende omstandigheden (daar gaat Materieel strafrecht over), maar het gaat het strafproces, inclusief het daaraan voorafgaande voorbereidend onderzoek. Wat zijn de rechten van een verdachte en wat zijn de bevoegdheden van politie en justitie? Wanneer en hoe lang mag iemand worden vastgehouden? Wanneer mag de politie je fouilleren of je huis binnentreden?

Het tentamen van gisteravond was naar mijn mening goed te doen. Hoewel ik de antwoorden nog niet heb gezien (deze komen later vandaag of uiterlijk morgen online) ga ik ervan uit dat ik het tentamen wel heb gehaald. Ik vond het vak niet heel moeilijk, maar het was vooral heel erg veel. Zoals gebruikelijk moet ik nu weer 3-6 weken wachten op de uitspraak uitslag.

Het komende semester staan 3 vakken op het programma: Bachelor essay, Juridische gespreksvaardigheden en Europees recht. Alleen het laatste vak wordt afgesloten met een tentamen (eind november). Voor het vak Bachelor essay moet ik een scriptie schrijven. Ik kon kiezen uit een aantal onderwerpen en ik heb tot mijn eigen verbazing voor een bestuursrecht onderwerp gekozen. Het gaat over de vraag in hoeverre een bestuursrechtelijk (gemeentelijk) vergunningenstelsel de vrijheid van meningsuiting mag beperken. Ik moet snel aan de bak, want de eerste opdrachten moet ik al snel inleveren.

En als dat allemaal lukt moet ik nog drie vakken om de bachelor af te ronden. Eerst eind januari de tentamens Grondrechten en Constitutioneel recht om daarna de studie af te ronden met de eindopdracht, het Integratiepracticum. Bij het integratiepracticum wordt kennis, schriftelijke vaardigheden en mondelinge vaardigheden (pleiten!) getoetst. Als alles volgens planning verloopt, kan ik september 2016 met de master beginnen!

Zie mijn Status rechtenstudie pagina voor de actuele status van mijn studie.